Frédéric Vasseur, teambaas van Scuderia Ferrari, relativeert de waarde van rondetijden in test- en trainingssessies. In een media-briefing tijdens de wintervoorbereiding zegt hij dat P1 of P10 op de lijst weinig zegt over echte snelheid. Ferrari richt zich nu vooral op dataverzameling en racesimulaties. Dat moet betrouwbaardere keuzes opleveren voor kwalificatie en de race onder FIA-regels.
Tijden zeggen nu weinig
Volgens Ferrari worden de tijden in vrije trainingen en tests vertekend door uiteenlopende programma’s. Teams rijden met andere brandstofladingen, motorstanden en banden. Ook wind en asfalttemperatuur wisselen per stint. Daardoor is een vergelijking op basis van P1 of P10 niet betrouwbaar.
Vrije training is de sessie waarin teams afstellingen testen, niet per se jagen op een toptijd. Coureurs proberen verschillende vleugelstanden, rembalansen en differentieel-instellingen. Dit helpt om het venster te vinden waarin de auto het best werkt. De stopwatch is daarbij slechts één van de vele meetpunten.
Vasseur onderstreept dat het doel is om patronen te zien, geen headline-rondes. Het team kijkt naar constante sectorsnelheden en bandenslijtage over langere runs. Ook wordt gekeken naar hoe de auto reageert op veranderingen per set-upstap. Pas daarna krijgt de snelheid op één rondje aandacht.
“Het maakt niet uit of we P1 of P10 zijn.” — Frédéric Vasseur, teambaas Ferrari (op het moment van schrijven)
Ferrari kiest voor longruns
Ferrari concentreert zich op longruns om de racepace te begrijpen. Pirelli levert meerdere compounds, oftewel bandenmengsels met elk een andere slijtage en grip. Door langere stints te rijden ziet het team hoe de auto omgaat met temperatuur en degradatie. Dat is belangrijker voor zondag dan een snelle ronde op vrijdag.
De ingenieurs meten daarbij zogeheten drop-off: het tijdsverlies naarmate de band slijt. Een stabiele drop-off maakt strategieën met minder pitstops mogelijk. Met een agressieve afstelling kan een auto sneller zijn, maar ook banden opeten. De juiste balans bepaalt vaak de uitslag, zeker op circuits met hoge belasting.
Voor Europese races zoals Zandvoort of Monza telt nog iets. Het weer is koeler en wisselvalliger dan in de woestijn. Daarom bouwt Ferrari marge in de set-up. Het team wil dat de auto in een groter temperatuurbereik goed werkt, zodat de strategie flexibel blijft.
Data-afstemming staat centraal
Een kernpunt voor Ferrari is correlatie. Dat is de afstemming tussen data uit windtunnel en computersimulaties (CFD) en wat de auto op de baan doet. Als die matcht, kan het team updates beter voorspellen. Dat voorkomt kostbare fouten onder het budgetplafond.
De FIA beperkt windtunnel- en CFD-uren via het Aerodynamic Testing Regulations-systeem. Teams met betere kampioenschapsposities krijgen minder uren. Ferrari moet dus zuinig omgaan met testtijd. Elke filmdag of shakedown moet bruikbare data opleveren voor de volgende stap.
Daarom kijkt het team niet alleen naar absolute downforce, maar ook naar stabiliteit bij remmen en insturen. Kleine meetinstrumenten op de auto, zoals tufts en sensoren, maken luchtstromen zichtbaar. Die gegevens helpen om de correlatie te verbeteren. Zo worden updates gericht en uitvoerbaar binnen het budget.
Kwalificatie blijft aparte opgave
Ondanks de focus op longruns, blijft één snelle ronde cruciaal. In de kwalificatie geldt parc fermé: vanaf dat moment mogen teams de set-up nauwelijks nog wijzigen. Een auto moet dus zowel op één snelle ronde als in de race werken. Dat vraagt om compromiskeuzes in vering, vleugels en rijhoogte.
Ferrari probeert de zogenaamde out-lap en bandvoorbereiding te verfijnen. De temperatuur van de Pirelli-band bepaalt de grip in de piek. Een betere opwarmronde kan tienden schelen. Dat verschil bepaalt vaak Q2 of Q3, en daarmee de startpositie.
Op sprintweekenden, zoals die de FIA de afgelopen seizoenen heeft ingevoerd, is de marge nog kleiner. Teams krijgen minder trainingstijd en sneller parc fermé. Vasseur benadrukt daarom proces boven resultaat in trainingen. De ranglijst volgt vanzelf als het pakket klopt.
2026-regels sturen keuzes
Met het FIA-motorreglement 2026 in aantocht moeten teams middelen verdelen. De nieuwe krachtbronnen krijgen meer elektrische power en gebruiken duurzame brandstoffen. Dat vraagt andere koeling en packaging in het chassis. Ferrari weegt die lange termijn mee bij elke update van de huidige auto.
Het budgetplafond ligt rond de 135 miljoen dollar per jaar, gecorrigeerd voor inflatie (op het moment van schrijven). Grote ontwikkelstappen moeten dus meetbaar rendement geven. Daarom is datacorrelatie in wintertests zo belangrijk. Het voorkomt dure omwegen en dubbele arbeid.
Voor Europese fans betekent dit mogelijk een rustiger updateschema. In plaats van elke race kleine delen, kiest een team vaker voor pakketten met bewezen winst. Dat sluit aan bij de duurzaamheidsdoelen in de sport. Minder verspilling, meer effect per onderdeel.
Wat Vasseur echt bedoelt
De kern van Vasseurs boodschap is simpel. De ranglijst van een test- of trainingsdag is geen eindscore. Ferrari wil vooral begrijpen wat de auto doet en waarom. Pas als die basis klopt, heeft P1 betekenis.
Dat is een rationele aanpak binnen strenge FIA-regels en een krap budget. De focus ligt op reproduceerbare prestaties, niet op één snelle run. Die lijn past bij moderne Formule 1, waarin data en proces winnen. Het publiek ziet de echte balans pas in kwalificatie en de race.
Voor Nederland en Europa is de relevantie duidelijk. Op circuits met wisselvallig weer en krappe bochten loont stabiliteit boven pieksnelheid. Als Ferrari dat goed treft, tellen de punten op zondag. En dan maakt een P10 op vrijdag inderdaad weinig uit.









