Het kabinet houdt de onbelaste reiskostenvergoeding voorlopig op 23 cent per kilometer. In Den Haag is besloten dat er per 2025 geen extra verhoging komt, in het licht van beperkte budgetruimte. De maatregel raakt forenzen die met de auto, het ov of de fiets reizen voor werk. Werkgevers kunnen vergoeden tot de fiscale grens, maar alles daarboven wordt belast.
Onbelaste reiskostenvergoeding blijft op 23 cent
De maximaal belastingvrije vergoeding voor woon-werk en zakelijke kilometers blijft op 0,23 euro per kilometer, op het moment van schrijven. Die grens geldt voor alle vervoermiddelen, dus auto, motor, openbaar vervoer en fiets. De regeling moet administratief eenvoudig blijven voor werkgevers en werknemers. Een aparte tarieftabel per brandstoftype of voertuig is niet voorzien.
Voor automobilisten verandert er daarmee niets aan de kilometervergoeding in 2025. De vergoeding is een fiscale vrijstelling: een bedrag dat je mag ontvangen zonder loonheffing. Betaalt een werkgever meer dan het maximum, dan is het meerdere belast als loon. Dat kan effect hebben op het nettoloon van de werknemer.
De huidige grens is in recente jaren al verhoogd, maar verdere verruiming staat nu niet op de planning. De financiële ruimte in de rijksbegroting is beperkt. Daarom kiest het kabinet ervoor om de kilometervergoeding te bevriezen. Eventuele aanpassingen worden pas bij nieuwe politieke keuzes verwacht.
“De onbelaste reiskostenvergoeding blijft op 0,23 euro per kilometer.”
Gevolgen voor automobilisten en forenzen
Voor wie met de auto naar het werk rijdt, dekt 23 cent vaak niet alle kosten. Denk aan brandstof, onderhoud, banden, verzekering en afschrijving, samen de totale kilometerkosten. Die kosten verschillen per voertuig en rijstijl. Forenzen met lange afstanden voelen dat verschil het meest.
Rijd je in een elektrische auto of hybride, dan verandert er ook niets aan de vergoeding. De fiscale grens is techniekneutraal en maakt geen onderscheid tussen benzine, diesel of elektrisch rijden. Dat is eenvoudig voor de loonadministratie, maar sluit niet altijd aan op de werkelijke kosten per kilometer. Daardoor blijft het eigen aandeel van de reiziger bestaan.
Voor wie met het openbaar vervoer reist, kan de werkgever óf daadwerkelijk gemaakte ov-kosten belastingvrij vergoeden, óf de vaste kilometervergoeding toepassen. Een declaratie op basis van kaartjes of reistransacties kan gunstiger zijn bij duurdere trajecten. In veel mobiliteitsregelingen wordt daarom een keuze gemaakt per werknemer of traject. Dat voorkomt dubbel vergoeden en houdt het eerlijk binnen teams.
Werkgeversopties: boven grens is belast
Werkgevers mogen meer dan 23 cent per kilometer uitkeren, maar het meerdere wordt dan aangemerkt als loon en belast. Ook kan een organisatie een deel onderbrengen in de werkkostenregeling. De werkkostenregeling is de fiscale ruimte waarmee werkgevers onbelaste vergoedingen en verstrekkingen mogen doen. Die ruimte is echter beperkt en wordt vaak al benut voor andere personeelsvoorzieningen.
Bedrijven die medewerkers willen ontzien, kiezen soms voor gerichte ov-vergoedingen of parkeerkostenvergoedingen. Parkeerkosten en tol kunnen onder voorwaarden onbelast worden vergoed als ze samenhangen met zakelijke reizen. Voor woon-werkverkeer ligt dat anders en geldt meestal de kilometergrens. Heldere mobiliteits- en declaratieregels blijven daarom belangrijk.
In de loonadministratie verandert er weinig door het uitblijven van een verhoging. Declaratiesystemen en HR-tools kunnen de bestaande 23 cent blijven hanteren. Dat beperkt uitvoeringslasten, zeker bij grote werkgevers met veel declaraties. Wel is het raadzaam om medewerkers tijdig te informeren over wat wel en niet vergoed wordt.
Belastingplan 2025 kan nog bijsturen
De keuze om de reiskostenvergoeding te bevriezen past in de voorbereiding van het Belastingplan 2025. In het najaar bespreekt de Tweede Kamer fiscale wijzigingen voor het komende jaar. Amendementen kunnen onderdelen nog aanpassen, maar daar is politieke en budgettaire steun voor nodig. Op het moment van schrijven is geen verruiming voorzien.
Voor automobilisten betekent dit dat de belastingvrije ruimte voorspelbaar blijft. Dat helpt bij het plannen van mobiliteitsbudgetten en reiskosten in cao-onderhandelingen. Tegelijk blijft de vraag naar betaalbare mobiliteit actueel, zeker bij schommelende brandstofprijzen. Eventuele latere aanpassingen zullen afhangen van koopkracht en begrotingsruimte.
Brancheorganisaties en vakbonden kunnen het onderwerp opnieuw agenderen in aanloop naar Prinsjesdag. Zij wijzen vaker op de kloof tussen vergoeding en werkelijke kosten. Een structurele koppeling aan inflatie is eerder besproken, maar niet ingevoerd. Voorlopig blijft maatwerk aan de onderhandelingstafel de praktijk.
Leaseauto, zakelijke ritten en bijtelling
Voor leaserijders met een auto van de zaak speelt de kilometervergoeding meestal niet. De werkgever vergoedt dan al brandstof of laadkosten en onderhoud. De fiscale bijtelling blijft een aparte regeling en verandert door dit besluit niet. Bijtelling is het deel van de catalogusprijs dat bij het loon wordt geteld als je de zakelijke auto ook privé gebruikt.
Maak je met je privéauto zakelijke ritten, dan kan de werkgever tot 23 cent per kilometer belastingvrij vergoeden. Dat geldt naast woon-werk ook voor andere zakelijke kilometers, zoals klantbezoeken buiten de vaste werkplek. Een sluitende rittenregistratie blijft dan nodig. Zo voorkom je discussie over het karakter van de rit.
Zelfstandigen met een privéauto kunnen hun zakelijke kilometers in de inkomstenbelasting eveneens tegen 0,23 euro per kilometer opvoeren, op het moment van schrijven. Dat is geen loon, maar een aftrekpost bij de winst. Het besluit om de werknemervergoeding niet te verhogen wijzigt dat regime niet. De praktische uitkomst is voor beide groepen vergelijkbaar.









